Errik_Chopstickgrey

Column: Activeren en retrofitten

Het kan niet anders dan dat wijkaanpakkers de moed in de schoenen is gezonken. Een front van hoogleraren Urban renewal, Urban geography, monumentenzorgers, onderzoekers van het CPB, SCP en PBL, leefbarometers en Geenstijlcolumnisten heeft maar één boodschap: Wijkaanpak, Onze Buurt aan Zet, Krachtwijkbeleid, grootschalige sloopnieuwbouw, het haalt allemaal niets uit. Eindigt ruim honderd jaar wegwerken van achterstanden in stadsbuurten roemloos in deze vloedgolf van empirisch onderzoek en zich verkneukelende opiniemakers?

Het SCP-rapport Werk aan de wijk dat 30 juli 2013 verscheen windt er geen doekjes om: “De conclusie kan niet anders zijn dan dat het krachtwijkenbeleid geen onderscheidende, gunstige leefbaarheidseffecten heeft gesorteerd”. Ook de fysieke vernieuwing moet eraan geloven: “Grootschalige herstructurering lijkt tot een verbetering van de veiligheid en leefbaarheid te leiden”. Om daar direct op te laten volgen: “Geen enkel effect is echter significant”. Vijftien jaar lang trokken slopers en bouwers door Nederland, een spoor van nieuwbouwwoningen achterlatend, en het effect is nihil.

We kunnen niet langer om de vraag heen welke bijdrage ontwerp en planning eigenlijk leveren aan het oplossen van leefbaarheidsproblemen. Twee uitspraken schieten me dan te binnen. De eerste is van stadsonderzoeker Jane Jacobs: “To seek causes of poverty is a dead end, because poverty has no causes. Only prosperity has causes”. De tweede is van verstedelijkingsgoeroe Edward Glaeser: “Help poor people, not poor places”. Aan Jane Jacobs moet ik denken omdat naast wijken met hardnekkige achterstanden, er ontegenzeggelijk ook heel veel stadswijken zijn waarmee het de laatste jaren uitstekend gaat. Ed Glaeser heeft kritiek op het pompen van geld in wijken en gebieden met achterstanden. Dit heeft volgens hem weinig zin. Het is verstandiger mensen de kans te bieden deel te nemen aan succes elders. Door goede verbindingen of door betaalbare woningen.

Ik ben het grotendeels eens met de uitspraken van Jacobs en Glaeser. Voorspoed heeft oorzaken. We weten waarom zoveel grote steden economisch succesvol zijn. En we weten ook wat de woonaantrekkelijkheid van stadswijken bepaalt. Het is geen toeval dat achterstanden cumuleren in stadsbuurten die vooral zijn ontworpen als gezonde woonwijken. Evenmin dat economie en talent zich concentreren in steden en stadswijken met een rijk publiek leven. De ontwerpers van tuindorpen en tuinsteden gingen ervanuit dat wonen de basisactiviteit in steden is. Cornelis van Eesteren beschouwde de stad als een verzameling wooncellen, die efficiënt verbonden dienden te zijn met werk- en ontspanningsgebieden. Maar het wezen van de stad wordt niet bepaald door wonen, dat is buiten de stad veel aangenamer, maar door interactie, het uitwisselen van goederen, diensten, informatie en ideeën. Omwille van die uitwisseling zijn mensen ooit in steden gaan leven en doen ze dat ook nu nog.

Wie wil profiteren van de voorspoed in grote steden moet in staat zijn deel te nemen aan de economisch en culturele interactie die daar plaatsvindt. Daarom trekken ieder jaar tienduizenden jonge hogeropgeleiden naar Amsterdam en Utrecht. Daarom zijn zij bereid de hoofdprijs te betalen voor een bezemkast in een oude stadswijk. Op loopafstand van het publieke leven willen ze zitten, om zich er op ieder moment in onder te kunnen dompelen. Wie voor werk en leven minder afhankelijk is van de stedelijke interactieruimte kan prima terecht in de vele suburbane woongebieden. Daar vinden we vooral de gearriveerde middenklasse. Jonge starters en een emanciperende onderklasse kunnen echter niet zonder de vele kansen op sociale stijging die grote steden bieden.

Daarom is het toegankelijk houden van succesvolle steden zo belangrijk. Mensen die belang hebben bij wonen in of nabij interactiemilieus moeten dat ook kunnen. Zeker aangezien alles er op wijst dat in de toekomst steeds meer mensen daar ook echt belang bij zullen hebben. Dat betekent het aanbieden van voldoende betaalbare huisvesting in de centra van de steden en het scheppen van randvoorwaarden voor een rijk publiek leven in de twintigste-eeuwse volkshuisvestingswoestijn. De eerste opgave is een kwestie van woonbeleid en woningbouw, de tweede vraagt om gerichte ruimtelijke interventies in naoorlogse wijken. Niet langer met het woongenot als ultiem doel, maar gericht op het activeren van de openbare ruimte. Daarvoor is complete kaalslag zelden noodzakelijk, het is meer een zaak van retrofitten. De inspiratie hoe dit vorm te geven kunnen we vinden in de levendige stadswijken in en rondom onze stadscentra.

Stadsplanners en ontwerpers hebben wel degelijk een bijdrage te leveren aan het oplossen van geografische georganiseerde sociale en economische problemen. Maar het is tijd dat ze zich concentreren op hun kerntaak: het ontwerpen van goede en mooie steden. Dit is door natuurkundigen en stadsonderzoekers Luis Bettencourt en Geoffrey West raak verwoord. Volgens hen heeft planning als doel de interactie tussen mensen te bevorderen en tegelijk de negatieve bijeffecten te minimaliseren. Segregatie is zo’n negatief bijeffect. Daar zijn oplossingen voor. Maar die oplossingen vinden we in succesvolle wijken en steden en niet in falende.

Errik Buursink, planoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening, gemeente Amsterdam

Deel via
Deel via facebookDeel via twitter