Schermafbeelding 2013-11-15 om 13.31.41

Ontwerpdenkers in de wijken

Reimar von Meding en Hans Karssenberg werken ieder vanuit hun eigen discipline aan stadsvernieuwingsprojecten en aan wijkverbetering. Von Meding is directielid-architect bij KAW en spant zich in voor kwalitatieve sociale woningbouw. Karssenberg is planoloog en partner bij Stipo en is als adviseur vaak betrokken bij complexe stedelijke ontwikkelingsopgaven. Beide heren worden gedreven door passie voor de stad en zien een belangrijke toekomst voor ontwerpdenken in de wijkaanpak.

Fysiek ingrijpen
Bij KAW wordt zowel aan de fysieke als aan de sociale planvorming in de stad gewerkt, vertelt Von Meding. ‘We vinden het interessant om de combinatie op te zoeken. Het gebeurt nu nog te vaak gescheiden van elkaar waardoor energie en budgetten verdampen, terwijl als je ze met elkaar combineert je echt wat kan bereiken.’ Als architect is Von Meding vooral bezig met het ruimtelijke werk, maar ziet  dat niet los van het sociale. ‘Ik ben geïnteresseerd in participatie, in het betrekken van mensen bij de planvorming, maar vind dat we dit fenomeen niet moeten overschatten. Een ander aandachtspunt is de balans tussen behoud en vernieuwing. In het verleden ging wijkvernieuwing te vaak gepaard met sloop, maar in alles behouden geloof ik ook niet. We moeten een stap maken waardoor we de stad écht getransformeerd krijgen door juist ook nu fysiek in te grijpen en het bestaande te verbeteren.’

Van stad maken naar stad zijn
Hans Karssenberg geeft als een van de vier partners leiding aan het team van Stipo, een organisatie actief op het gebied van ruimtelijke, sociale, economische en culturele strategieën voor steden, wijken en regio’s. ‘Mijn vak is stedelijke ontwikkeling en dat bestaat voor mij net zo zeer uit al deze facetten of combinaties daartussen.’ Karssenberg vertelt dat Stipo veel bezig is met de omslag van ‘stad maken’ naar ‘stad zijn’. Een ontwikkeling waar Nederland, volgens Karssenberg, nu middenin zit. ‘De komende veertig jaar zal in het teken staan van het heruitvinden van de stad die we al hebben. Wat ons bindt bij Stipo is dat we, hoewel we uit allerlei windrichtingen komen, een aanpak hebben waarbij we oplossingsgericht, strategische vraagstukken te lijf te gaan. Dat doen we vaak door middel van cocreatie, ideeënrijkdom verzamelen en in allianties vraagstukken herdefiniëren. Je krijgt namelijk maar al te vaak verkeerde vragen. Dat vraagt veel ideeënrijkdom van buitenaf maar ook om een visie van binnenuit. In ons denken speelt langdurige kwaliteit een belangrijke rol in. Het gaat om het doorgronden van de werking van de stad door de decennia heen, en wat daar voor nodig is.’ Daarvoor kijkt het bureau veel naar de gebieden die succesvol zijn en wat daarvan geleerd kan worden. ‘Het publieke domein is daarbij voor ons heel belangrijk, want dat is naast de fysieke verschijningsvorm van de openbare ruimte hetgeen dat mensen bindt. Ook de ziel van de plek speelt daarin een rol; ik vindt het heel interessant om vanuit het karakter van een plek te werken. Zowel in fysieke als maatschappelijke en economische zin.’

interview_dubbel_3

Van concept naar context
KAW heeft de afgelopen jaren volop ervaring opgedaan met grote renovatie- en vernieuwingsoperaties in bestaande wijken. Daarbij valt het Von Meding op dat de ontwerpende discipline nog teveel gericht is op het toevoegen van iets nieuws. ‘In de wijkvernieuwing is het juist niet belangrijk om uit te gaan van het concept wat je als architect bedenkt en wat je van buitenaf inbrengt, maar om de context en wat je aantreft. Die verandering van concept naar context is heel belangrijk. Het gaat er niet om dat wat ik heb bedacht zichtbaar wordt, maar dat het béter wordt. Het is juist hard nodig dat de wijken van binnenuit aangepakt worden.’

Karssenberg: ‘We hebben op dit moment helaas nog te maken met organisaties die in de afgelopen veertig jaar zijn opgebouwd en die helemaal gericht zijn op ‘stad maken’. Ze stellen voortdurend de verkeerde vragen en geven voortdurend de verkeerde opdrachten.’

Von Meding beaamt dit: ‘Die veertig jaar hebben bovendien fysieke sporen achtergelaten. We hebben te maken met heel veel wijken en stadsstructuren die bedacht zijn conform één concept, en op een behoorlijk grote schaal. Het antwoord wordt nog maar al te vaak gezocht in het  vervangen van het geheel, waarbij we ons niet realiseren dat dit over veertig jaar precies weer dezelfde problemen zal opleveren als waar we nu voor staan. Dat is precies waar die transitie over gaat; over de vraag hoe we kunnen voorkomen dat we straks weer alles moeten aanpassen.’
Karssenberg: ‘Het is net alsof we lange tijd de zaken maar met één hersenhelft hebben benaderd. De stedenbouw is in het verleden vooral functionalistisch aangepakt. Maar de stad is ook een belevingsruimte waar emoties een rol spelen. Een veel gevoelsmatiger manier van de stad benaderen is nodig. In ieder geval een aanpak die beide hersenhelften aanboort.’

Andere aanpak
Karssenberg merkt dat een steeds groter deel van zijn tijd gaat zitten in maatschappelijke en economische vraagstukken. Daar ligt volgens hem ook de grootste opgave. ‘Ik werk aan een project in Roosendaal waar de wijk er fysiek redelijk bij ligt, maar waar een groot deel van de mensen werkloos is en er op dat vlak spanningen ontstaan. Dat maakt dat de kern van de opgave niet fysiek is, en er dus een andere aanpak nodig is.’ In dat kader ziet hij een reeks van bewegingen opkomen die een hele andere taal in de stedelijke ontwikkeling vormen. ‘Met Stipo zijn wij bijvoorbeeld betrokken bij ‘In de Tussentijd’ in Rotterdam waar we met het netwerk van de corporaties en de gemeente werken aan een manier om leegstaand vastgoed echt maatschappelijk aan te pakken. En we zijn bijvoorbeeld met een plintaanpak bezig waarbij we met eigenaren en huurders kijken hoe we goede straatbeelden kunnen creëren.’ Zo zijn er talloze voorbeelden te geven van een visie en aanpak waarbij niet alleen van het ruimtelijke of sociale wordt uitgegaan, maar van het verbinden van allerlei fenomenen en disciplines.

Von Meding: ‘In onze aanpak speelt de analyse van het bestaande een centrale rol. Het vormt de basis van je stedenbouwkundige plan als je met het bestaande aan de gang wil. De pure ontwerpmethodiek is echter niet anders dan voorheen, en ik geloof ook dat de ontwerpdiscipline echt nodig is om iets te kunnen bewerkstelligen. Eén van de dingen die we als ontwerpers geleerd hebben is een toekomstbeeld ook fysiek tastbaar of inzichtelijk te maken. Niet om te laten zien waar het naartoe gaat, maar om te laten zien waar het mogelijk naartoe gaat, en zo een proces op gang te brengen.’

interview_dubbel_1

Netwerk mobiliseren
Beide heren benadrukken dat er op andere manieren naar de stad gekeken moet worden en dat oude patronen en rollenverdelingen veranderen. Karssenberg: ‘We zien dat het spel van stedelijke ontwikkeling, het ‘stad maken’, voorheen werd bepaald door een paar gemeenten en een paar ontwikkelaars, en dat het krachtenveld heel overzichtelijk was, maar dat het op dit moment totaal versnipperd raakt. Gemeenten hebben steeds minder hun oude vertrouwde rol, en weten eigenlijk niet meer wat zij moeten doen in de stad. De corporaties zitten ook niet meer aan de knoppen, en de grote ontwikkelaars vallen op dit moment één voor één om. Zo gaat de stedelijke ontwikkeling van een situatie met een beperkt aantal partijen naar een situatie met heel veel partijen. Het is de vraag wie op dit moment de trekker is van de stedelijke ontwikkeling of de stedelijke vernieuwing. Mijn antwoord is: degene die het netwerk weet te organiseren. We gaan van de macht van een aantal partijen naar de kracht van netwerkpartijen. En als jij in staat bent om het netwerk te mobiliseren, dan krijg je beweging.’

Dit heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat de opgave compleet veranderd is, benadrukt Von Meding. ‘We maken geen masterplannen meer en ook geen nieuwe steden, maar we transformeren de bestaande stad.’ Het is logisch dat er dus ook belangrijke veranderingen optreden in de rolverdeling. ‘Ik denk dat er wel degelijk een belangrijke rol is voor de overheid, maar dat deze niet per se initiërend is of zou moeten zijn. Dat zou ook een faciliterende rol kunnen zijn.’

Karssenberg: ‘Er is een verschuiving gaande van een sterke overheidsrol naar een situatie met meerdere partijen waarin de gemeenten weer moeten leren begrijpen wat hun kerntaken zijn. Als faciliteren betekent niets doen en afwachten, dan zijn we ver van huis. Je bent als overheid namelijk wel verantwoordelijk voor het publieke domein, het opkomen voor groepen die het zelf niet kunnen, en voor maatschappelijke zaken. Het gaat om de juiste balans tussen de geplande stad en de geleefde stad. Er is in dat opzicht veel meer te halen uit aanwezige initiatieven in de geleefde stad van bewoners en de markt. Het samenspel met de overheid als publieke partij is daarin cruciaal.’

Von Meding: ‘Projecten lopen nu vaak spaak omdat de gemeente en overheid zich niet consequent  gedragen waar dat nodig is. Een echt probleem van deze tijd is dat de overheid allerlei leuke initiatieven wil steunen, maar ze ook direct weer in de kiem smoort omdat ze gebonden is aan eigen beleid en regels.’

Karssenberg: ‘De gemeentelijke apparaten moeten kleiner en sneller worden. Je moet weten wat je wil bereiken zodat je dat aan de voorkant van het proces kan meegeven en kan vertellen waar projecten aan moeten voldoen. Gemeenten moeten uitnodigend zijn, maar ook heel goed zelf weten wat ze willen bereiken.’

Middle-up-down
In een wereld die gonst van de bottom-up-initiatieven blijft het volgens beiden heren belangrijk dat overheden vanuit een eigen visie de juiste initiatieven weten te stimuleren en de regie weten te voeren. Karssenberg: ‘Louter bottom-up processen leiden niet tot goede stedelijke ontwikkeling. Volgens mij is er nog iets wat ertussenin zit en wat we bij Stipo ‘middle-up-down’ hebben genoemd. Het idee is dat het één niet de tegenhanger van het andere is.’ Volgens Karssenberg zullen we veel meer vanuit cocreatie en zelforganisatie moeten gaan organiseren. ‘Het is belangrijk de energie en de rijkdom aan ideeën uit de samenleving aan te boren. Die vormen een onderdeel van een proces waarbij er ook mensen moeten zijn die nadenken over hoe we dingen organiseren en hoe we er voor zorgen dat we over veertig jaar ook nog blij zijn met onze beslissingen. De overheid moet randvoorwaarden stellen, nadenken hoe je de ander kunt verleiden en uitlokken om met die randvoorwaarden aan de slag te gaan en daar nieuwe invullingen bij te vinden. Op het moment dat er een interessant initiatief in het veld gezien wordt moet men proberen dat te versterken en meebewegen. Het gaat voor mijn gevoel veel meer om de gelijkwaardigheid tussen die beide werelden dan de één boven de ander. Het is bovendien de kunst om de mensen die initiatieven in de wijken ontplooien te verleiden om hun energie ook breed maatschappelijk in te zetten en niet alleen voor zichzelf.’

Ontwerpdenken
Karssenberg en Von Meding beschouwen de aanpak van het Atelier Rijksbouwmeester met multidisciplinaire teams in de wijken als waardevol. Karssenberg: ‘Ik geloof naast het ontwerpend onderzoek vooral in ontwerpdenken. Ontwerpers zijn bij uitstek in staat om nieuwe realiteiten te creëren die anders zijn dan toen de vraag werd gesteld. De belangrijkste problemen, ook maatschappelijk gezien, kunnen niet opgelost worden binnen het kader waarbinnen ze zijn ontstaan, en daar zitten ze wel vaak in vast. Dus je hebt creativiteit nodig om nieuwe wegen te ontdekken. Wanneer je alleen met sociaal maatschappelijk werkers in dit soort wijken aan de slag gaat, kom je er niet uit. Je hebt mensen nodig die kunnen verbeelden, verleiden, omdenken en reframen.’
Von Meding staat vooral positief ten opzichte van het multidisciplinaire karakter van de aanpak. ‘In onze praktijk organiseren wij het proces ook het liefst met alle disciplines aan tafel. Wij roepen de diverse partijen vanaf dag één bij elkaar om met elkaar in gesprek te gaan; dat levert enorm veel tijdwinst en betere oplossingen op. Het organiseren van zo’n proces zou je bewust bij de ontwerpende discipline kunnen neerleggen, omdat deze gewend is om informatiestromen te bundelen tot eenvoudige vragen, oplossingen en verbeeldingen.’

Werelden verbinden
Ook het economische model achter de wijkverbetering is aan verandering onderhevig. Karssenberg: ‘Ons grondexploitatiemodel past niet meer bij het huidige model van ‘stad-zijn’. Er zou veel meer naar de bestaande geldstromen in de wijken gekeken moeten worden om investeringen tot stand te brengen. Achter de bestaande geldstromen gaan namelijk partijen schuil die in staat zijn om tot nieuwe businessmodellen te komen en tot maatschappelijke verbetering van de wijken. In de aandachtswijken wordt bijvoorbeeld door zorgverzekeraars meer aan de zorg uitgegeven dan dat ze aan premies binnen krijgen. Dat komt onder andere doordat mensen te weinig sporten en last hebben van obesitas. Op het moment dat je dat weet, ontstaat er een businesscase om preventief in de wijken te investeren vanuit het idee van gezondheid. En heb je het dus niet over investeringen in vastgoed maar over investeringen om mensen aan het sporten te krijgen en het netwerk van huisartsen beter met gezondheidsbureaus te laten samenwerken.’ Het is niet langer alleen het spel tussen de ontwerper en de planoloog, de gemeente en de bewoners, vervolgt Karssenberg, maar ook tussen deze partijen en investeerders aan de kant van energie en data. Om dit samenspel te laten werken moeten die verschillende werelden elkaar leren begrijpen.

Von Meding vult aan: ‘Te vaak vloeit het geld na investeringen de wijk weer uit, maar als je het in de wijk houdt ontstaan er heel andere mogelijkheden om de wijk echt te verduurzamen met de mensen die in de wijk wonen.’ Karssenberg: ‘Wij noemen dit principe ‘Nimbe’: Nieuwe investeringen met bestaande euro’s. Je moet de businessmodellen van die andere werelden kunnen doorgronden. Daar ligt een enorme opgave en daar gaat nu nog veel in mis. We hebben intermediairen nodig die deze werelden verbinden en aan de wijken koppelen; daar zijn ontwerpdenkers hard bij nodig.’

 

Deel via
Deel via facebookDeel via twitter