Veldhuis_2

Sleutelen aan de structuur van de stad

De heremiet en de handelsreiziger

Veldhuis ziet een belangrijke rol weggelegd voor de stedebouwer in de huidige samenleving. Nu de overheid zich steeds verder terugtrekt op het gebied van ruimtelijke ordening zou de stedebouwkundige zich moeten opstellen als bewaker van het publieke belang, en de gemeente als bewaarder van het collectieve geheugen. Veldhuis: ‘Er zijn twee soorten mensen. Mensen die zorgen voor het geheugen en de continuïteit daarvan, en mensen met een frisse ideeën. Je moet altijd streven naar een mix daarvan. Ik noem ze de heremiet en de handelsreiziger. De gemeente en de corporatie moeten de heremiet zijn. De ontwerperbureau’s, onderzoekers en adviseurs zijn de handelsreizigers, die kan je invliegen. Maar die moeten wel aangestuurd worden door mensen binnen de organisaties die het geheugen hebben, en juist daar gaat het mis. Want in Nederland heb je alleen maar handelsreizigers en mensen die opdrachten uitdelen. Er zijn geen mensen die het geheugen vasthouden.’

Verantwoording afleggen
We hebben de rol van de publieke verantwoordelijkheid voor de stad in de afgelopen twintig jaar verwaarloosd meent Veldhuis. ‘We zijn steeds meer naar privaat gestuurde  gebiedsontwikkeling gegaan. Op het moment dat je aan stedelijke herstructurering doet of opereert in bestaand gebied, dan raak je echter het publiek belang van mensen die daar leven. En dan grijp je in mensenlevens. Dat vergeten wij als professionals. Mensen stoppen met behangen totdat ze zekerheid hebben, tot ze weten of hun woning gesloopt wordt of niet. Wij plannen voor een periode van circa twintig jaar, dat is de hele jeugd van een kind! Wie legt die verantwoordelijkheid af? Dat is niet de ontwikkelaar. Ik vind dat de gemeente die verantwoording moet dragen. Je moet dus een hele sterke gemeentelijke dienst hebben die aangeeft waar publieke belangen liggen en zich ook bemoeit met het vak stedebouw. Het is de enige partij die kan beslissen of we iets wel of niet moeten doen, en dat kan verantwoorden naar zijn bestuurder of de raad. Als burger kan je daar je stem doen gelden, dat kan niet bij een corporatie.’

Integraal ontwerpen is niet nieuw
Reflecterend op de multidisciplinaire aanpak van het Atelier Rijksbouwmeester in de wijken reageert Veldhuis: ‘Dat de rijksoverheid zich met de wijkvernieuwing bezig houdt is goed. Partijen in de wijken vinden het namelijk heel lastig om buiten hun eigen wijk en buiten de bewandelde paden te kijken. Het is goed dat er een extra impuls van buitenaf komt en mensen met een frisse blik naar de wijken kijken. Een integrale benadering is daarbij mooi, vooral in de aandachtwijken. Voor velen is dit een nieuwe ontdekking, het is alleen rijkelijk laat. Het ongeluk is al gebeurd. Er waren allang mensen die dat heel goed deden, er was alleen geen aandacht voor. Het is niet meer dan logisch dat je je eerst gaat verdiepen in wat er staat. Je grijpt namelijk in iets in wat al bestaat, dat moet je eerst begrijpen. We hebben vaak gedacht dat de naoorlogse wijken met een hoog percentage allochtonen en portieketageflats slechte wijken waren. Het heeft twintig jaar geduurd om te beseffen dat het helemaal zo slecht niet is wat er staat. En dat de mensen die er leven het misschien ook niet zo slecht hebben als de statistieken ons doen geloven. Dat we anders moesten kijken.’

Veldhuis_1

Stedebouw is stedebouw
Stedebouw moet stedebouw blijven, aldus Veldhuis. ‘Ik word moe van mensen die zich ‘veranderkundige’ noemen of het plotseling hebben over ‘spontane stedebouw’. Het geeft aan dat mensen heel krampachtig op zoek zijn naar een nieuwe manier om het vak te definiëren. Ik vind dat je pal voor je vak moet gaan staan. Daar hoort alles bij wat zij beschrijven maar een stedebouwer heeft als enige instrument dat hij tekent en een plan maakt. En als je op de golven van de spontaniteit zegt dat het allemaal niet meer nodig is, dan diskwalificeer je je vak. De spontane stadsbeweging zorgt er nu bijvoorbeeld voor dat op bestuurlijk niveau mensen menen dat we stedebouw kunnen opheffen. De bevolking gaat het spontaan en met elkaar doen. In het debat speelt nu zelfs de idiote vraag of we nog bestemmingsplannen nodig hebben. Deze zou de ondernemende burger beperken in zijn bewegingsvrijheid. Zo wordt er langzaam maar zeker getornd aan de zekerheden die een burger nodig heeft. Dat is namelijk de essentie van een bestemmingsplan: dat er geen kernreactor naast je woning wordt gebouwd, dat je niet in je leefomgeving wordt bedreigd. En daar staat de stedebouwkundige voor, voor de publieke zaak.’

Sleutelen aan de stad
We hebben geen visionaire plannen of poëtische architectuur nodig in de bestaande stad, die moet namelijk veel preciezer en veel bescheidener zijn, meent Veldhuis. ‘Je zou kunnen zeggen dat we twintig jaar lang in plaats van aan stadsontwikkeling aan vastgoedontwikkeling hebben gedaan, op zoek naar maximale rendementen. Nu het vastgoed niet langer de motor van de stad is, zal het moeten gaan over het sleutelen aan de structuur van de stad. Dat is strikt financieel gezien per definitie onrendabel.

De stedebouwer van de toekomst zal zich meer moeten gaan bemoeien met het publieke domein. Er moeten honderden straatjes met woninkjes met voortuintjes ontworpen worden, iets wat de gemeentelijke diensten steeds minder doen. Terwijl stedebouw  juist gaat om de overgang tussen architectuur en het publieke domein. Die opgave moet opgepakt worden. Het is juist dat kleine werk dat zo belangrijk is. Ook zal de stedebouwkundige er aan moeten wennen dat veel plannen een lange adem hebben, soms twintig jaar beslaan. Je moet werken aan vergezichten, aan een lange termijnvisie, maar wel zo dat het plan bij wijze van spreken ieder jaar klaar is. Een adaptieve stedebouw.’

Stedebouw zonder ‘n’
‘Dat is de essentie: plek maken. Toen de taalhervorming kwam en stedebouw veranderde in stedenbouw was er weinig verzet. Iedere ander branche zou zich heftig verzet hebben maar de stedebouwer niet… En over de toekomst: de stedebouwer moet zorgen dat hij weer relevant wordt. De tijd van bureaus met vijftig man is voorbij. Het is tijd voor kleinere, flexibelere bureaus. Dat zijn allemaal handelsreizigers. En alle kennis van ontslagen mensen moet op een of andere manier weer bij de overheid terechtkomen; de grote heremiet. Eigenlijk is dat de oplossing: kleinere bureaus, grotere overheid. Dat is de boodschap.’

(nov. 2011)

Wouter Veldhuis is sinds 1996 partner in het stedebouwkundige bureau Must. Hij is gastdocent aan verschillende ontwerpopleidingen, is lid van Stad-Forum Amsterdam en was de afgelopen jaren supervisor van vernieuwingsplannen voor Geuzenveld-Zuid/Buurt5 in Amsterdam. In 2010 schreef hij in Stedenbouw als strategie (in de serie Stadscahiers van SUN/Trancity/KEI) een bijdrage over nieuwe rollen in de stedelijke vernieuwing.  Samen met Ivan Nio en Arnold Reijndorp publiceerde hij in 2009 de Atlas van de Westelijke Tuinsteden.

Deel via
Deel via facebookDeel via twitter