interview_kristian_1

Stapsgewijze transformatie

Kristian Koreman van het Rotterdamse bureau ZUS is niet anders gewend dan met meerdere partijen samen te werken aan complexe opgaven in een ruimtelijke context. Hij pleit in het geval van het St. Annaterrein in Venray voor het verknopen van een fysieke en een sociale opgave en voor een brede, multidisciplinaire aanpak. Voor hem is het gesneden koek. ‘Zo werken we al tijden’.

Opgave
Het St. Annaterrein in Venray is begin vorige eeuw ontwikkeld als een zorgterrein in een parkachtige omgeving. De bebouwing bestaat deels uit monumentale panden uit het begin van de vorige eeuw en een aantal jongere paviljoens. Sinds het vertrek van de gebruiker, zorginstelling Van Gogh, naar een nieuw complex bijna tien jaar geleden, staan de gebouwen er verlaten bij en worstelen de eigenaar, de gemeente en woningcorporatie Wonen Limburg met de vraag hoe ze het terrein kunnen behouden en transformeren tot een levendige plek die weer waarde voor de stad en de omgeving heeft.

ZUS deed samen met Studio PROTOTYPE en Bureau Rekenruimte onderzoek naar de herontwikkeling van het terrein. Op verzoek van het Atelier Rijksbouwmeester lag de nadruk op een verband tussen twee actuele tendensen in de regio, namelijk krimp en de toestroom van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa.

Koreman: ‘Het liggende stedenbouwkundige plan van de eigenaar voor het St. Annaterrein ging aanvankelijk nog uit van sloop en nieuwbouw in een wat luxere klasse woningen. In de huidige tijd is zo’n plan niet meer realiseerbaar. Dus wat te doen met zo’n groot terrein? We wilden in dit eerste stadium niet direct met een ontwerp of een strategie komen en besloten een procesontwerp te maken. Voor zowel het samenbrengen van de partners die je nodig hebt om zoiets van de grond te krijgen, als het in huis halen van de kennis over hoe je dat nu eigenlijk doet. We zijn gaan kijken naar de kwaliteit van de plek, hebben interviews met Poolse arbeidsimmigranten afgenomen, hebben gekeken waar ze wonen, en hebben dat allemaal vervolgens in kaart gebracht.’

Woningen voor arbeidsmigranten
Het probleem, vertelt Koreman, is dat we op dit moment van het merendeel van de arbeidsimmigranten niet precies weten wat hun situatie is en waar ze verblijven. Er blijken drie categorieën te bestaan. ‘De eerste groep bestaat uit mensen die een half jaar tot een jaar blijven: mensen die even geld komen verdienen en dan weer teruggaan. Deze groep heeft alleen een kussen onder het hoofd nodig en kan bijvoorbeeld in een zogenaamd ‘Polenhotel’ terecht. De andere kant van het spectrum wordt echter gevormd door een groep arbeidsmigranten die hier een leven willen opbouwen, hier kinderen willen krijgen en een huis zoeken. En tussen deze twee varianten bevindt zich een forse groep van 60 of 70% waarvan we niet weten wie ze zijn, wat ze willen en waar ze verblijven. Ze wonen in reguliere sociale huurwoningen maar ook in huisjes of caravans op boerenerven; alles waar een dak op zit. Er is geen duidelijk beeld van de huisvesting en dus is er  weinig beleid op afgestemd. We hebben ons met name op die middengroep gefocust. Met deze groep in ons achterhoofd zijn we gaan kijken hoe je een woningproduct en een stedelijke omgeving kunt ontwerpen waarin op een meer menselijke manier geleefd kan worden. Ook hebben we onderzocht hoe je er voor kan zorgen dat er in de periode dat deze mensen hier zijn een wooncarrière gecreëerd kan worden waarin ze gestimuleerd of uitgenodigd worden om te blijven. In principe hebben we in Nederland namelijk stinkende behoefte aan deze groep arbeiders. Op dit moment keert 70% van deze mensen binnen vijf jaar terug naar het land van herkomst; dat zou je deels kunnen keren. We kunnen daar ruimtelijke concepten voor bedenken, of soorten woningen van klein naar groot, en van flexibel naar vast.’

Permanente tijdelijkheid
‘We hebben samen met Studio PROTOTYPE aan dit plan gewerkt, waarbij PROTOTYPE de opgave meer vanuit de architectuur benaderde en wij meer vanuit de stad en de grote context. Op drie momenten in het proces heeft Bureau Rekenruimte ons plan doorberekend zodat wij onze visie  konden aanscherpen. Uiteindelijk hebben we een financieel raamwerk gecreëerd waarbinnen je voor verschillende snelheden kan kiezen. Er zijn drie modellen ontstaan: De eerste gaat uit van de permanente transformatie, waarbij de eigenaar één keer een diepte-investering doet en gekozen wordt voor sloop-nieuwbouw. De tweede optie is de strategie van de tijdelijkheid, voor een periode van in ieder geval vijf jaar en met een optie tot verlenging naar 10 jaar, waarin je zou kunnen experimenteren zonder dat je daar financieel veel in hoeft te stoppen. Na deze fase kan men eventueel nog steeds overstappen op het eerste plan. De derde optie zet in op permanente tijdelijkheid waarbij je zorgt dat de investeringen die je in het gebied doet, van dien aard zijn dat je ze eventueel kan inzetten voor permanente ontwikkeling. Wij hebben voor dat laatste scenario gekozen. Het is het meest weerbare scenario ten opzichte van alle invloeden die we niet kennen. Hiermee kan je direct aan de slag gaan. Er  moet namelijk echt nu iets gebeuren omdat het gebied snel achteruit gaat.’

Ruimtelijke ingreep
‘We hebben een stapsgewijze transformatie voorgesteld. Het belangrijkste daarbij is dat de gesloten inrichting wordt geopend, zodat Venray en de regio het park weer kunnen adopteren. Om die reden hebben we de hoofdstraat vanuit Venray tot midden in het park doorgetrokken. Het centrum van het park hebben we aangewezen als de plek waar de eerste evenementen en transformatie  moeten plaatsvinden. Daaromheen hebben we de locatie ingedeeld in satellietgebiedjes die we achtereenvolgens willen ontwikkelen, inclusief de transformatie van gebouwen, nieuwbouw en aanpak van de openbare ruimte.’

Levendigheid
Het team wilde interactie met de gebruikers tot stand brengen en koos daarom voor het toekennen van verschillende functies aan potentiële plekken op het terrein. Koreman: ‘Daarbij hebben we de meer publieke programma’s in het centrum geprojecteerd en de specifiekere programma’s in de luwtes. We weten dat er in de Poolse gemeenschap graag gebruik gemaakt wordt van een sauna dus die functie zit er bijvoorbeeld bij. Verder zouden een fietsverhuurder en een kunstroute mogelijke aanjagers van het medegebruik van het terrein kunnen zijn en een stimulans voor het toerisme en de levendigheid. Ook hebben we gespeeld met het idee om in de buurt wat tijdelijke woningen te situeren die door arbeidsmigranten maar ook door toeristen gebruikt zouden kunnen worden. Zo hebben we gezocht naar doelgroepen, mensen die tijdelijk gebruik willen maken van dit soort voorzieningen en woningen, zowel arbeidsmigranten als toeristen.’

interview_kristian_1

Breder aanpakken
Een belangrijke uitkomst van het ontwerponderzoek is dat ZUS het project samen met Studio PROTOTYPE voortzet met behulp van subsidie van Binnenlandse Zaken en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie. Koreman: ‘Er bleek bij Binnenlandse Zaken een kennishiaat te bestaan tussen de ruimtelijke vraag rondom de immigratie en de urgent woningzoekenden. Inmiddels is het meer dan duidelijk dat er onder invloed van de veranderingen in de woning- en vastgoedmarkt een behoorlijke groep direct woningzoekenden ontstaat, die niet alleen bestaat uit kennismigranten of arbeidsmigranten, maar uit net afgestudeerden of mensen die alleen zijn komen te wonen. We pakken het thema mede om die reden dan ook graag breder op. Onze vervolgopdracht bestaat onder andere uit het definiëren en lokaliseren van de groep arbeidsimmigranten die tussen de één en vier jaar blijven. Voorts onderzoeken we een drietal testcases: potentiële locaties voor tijdelijke woonplekken, variërend van een gebouw dat op sloopnominatie staat tot een hele wijk. De opgedane kennis kunnen we verwerken in een handboek over tijdelijke woonvormen.’

Andere vakgebieden betrekken
Koreman vertelt dat ZUS eigenlijk nooit begint met ontwerpen maar de meeste opgaven benadert door eerst te kijken wat er nodig is om een bepaalde plek te reactiveren. ‘Ontwerpkracht en visualisatiekracht zijn heel erg nodig, maar dat doen wij niet alleen. Het proces begint wel vaak bij ons omdat we als architecten de alfa- en bètakoppeling goed kunnen maken. We halen er vervolgens zo snel mogelijk mensen van andere vakgebieden bij die meer weten van bijvoorbeeld branding, energie, financiering. Het is overigens bij opgaven in dit soort gebieden vaak zo dat ze gewoon te groot en te complex zijn om vanuit één perspectief te lijf te gaan.’

Voedingsbodem
‘Het goede van Oog voor de Buurt is dat het een voedingsbodem vindt doordat het hele land wordt afgescand op problemen en mogelijke opgaven. Deze manier van werken garandeert betrokkenheid en dat heb je nodig om de studies ook zin te geven. Het project kan echt zaken in beweging zetten mede doordat de kracht van het Rijk kan doorwerken op provinciaal en lokaal niveau en weer terug. Dat is de loop die je graag zou willen zien en het is een gezonde rol van het Rijk om dat te stimuleren.’

 

Deel via
Deel via facebookDeel via twitter